Zuster Joyce

Het is zaterdagmorgen en ik neem ruim de tijd voor de krant. In de weekendbijlage staan allerlei herinneringen aan verpleegkundigen. Voordat ik het weet ben ik in tranen. Al die verhalen, al die mensen.En opeens weet ik waarheen mijn tranen stromen. Naar zuster Joyce.

1982
Ik was 8 en was op mijn fiets door een auto aangereden. Uiteindelijk kwam ik er vanaf met een gebroken rechterarm. Mijn bovenarm helaas. Dat betekende een verblijf van zes weken letterlijk vastgeschroefd in een tractie. Mijn kinderen zijn de acht jaar al te boven. Maar ik weet nog hoe klein ze waren: jonge kinderen. En dat was ik toen ook.

Ouders mochten in die tijd op bezoek komen tijdens bezoekuren. En wat was er veel tijd dat het geen bezoekuur was. En in die uren regeerden dokters, verpleging en de activiteitenleidsters. Net zoals in het echte leven was niet iedereen even aardig. Er waren witte jassen waar ik bang voor was, zusters die me het gevoel gaven dat ik een last was. Dat ik tot last was. Ik weet nog hoe ik de klok net vanuit mijn ooghoek in de gang kon zien. Hoe de tijd maar niet voorbij leek te gaan. De verplichte middagrust waarin de gordijnen dicht gingen en we maar gewoon lagen te liggen. Hoe de ziekenhuisbieb en vooral de bibliothecaris (was het de activiteitenbegeleidster?) me tot frustratie brachten omdat ik zo snel las en graag stripboeken las. En dat was natuurlijk niet goed. Ik moest gewoon lezen, stripboeken waren geen echte boeken. Hoe ik me voor mijn liefde voor strips schaamde.

Hoe ik een groene Jan jans en de kinderen kreeg van de autobestuurder die net zo zenuwachtig was als ik voor het bezoek. Arme jongen. Ik had hem een doodschrik bezorgd door onverwacht voor zijn auto op te duiken bij het oversteken van de provinciale weg. Ik had de nacht voor zijn bezoek koorts gekregen en was zo onrustig voor zijn bezoek. Ik was zo bang dat hij heel boos op me zou zijn. Dat iedereen boos op me was. Kwikzilvere achtjarige ik; woelig en roerig vastgeschroefd in een groot bed op een zaal met allemaal andere patientjes.

En in die roerige tijden waren er een paar zusters waardoor ik voor het vuur zou zijn gegaan. Die, voor mijn gevoel als achtjarige, voor mij door het vuur gingen. Zuster Joyce was de liefste van allemaal.
Zij zorgde dat ik me niet tot last voelde maar dat ik goed was. Dat ik blij was met haar aandacht en rust en liefde. Dat ik niet bang was als ze aan mijn bed verscheen. Dat ze een zonnetje liet schijnen. Die lachte om mijn grapjes en troostte in mijn verdriet.

Ik heb in mijn leven als heel wat verplegers en verplegers mogen meemaken. Maar niemand was voor mij zo belangrijk als zuster Joyce.

Dankjewel.